Uitleg gebruikelijk loon
Lager gebruikelijk loon voor je startende BV
Als DGA moet je jezelf in de regel minimaal € 58.000 per jaar betalen. Kan je startende onderneming dat loon nog niet betalen, dan stemt de Belastingdienst volgens zijn beleid in met een lager loon. Hier lees je onder welke voorwaarden.
Past je situatie niet, dan zie je dat vóór de betaling.
Wat is de regel?
Als directeur-grootaandeelhouder moet je BV je een zakelijk loon betalen: het gebruikelijk loon. Dat is het hoogste van drie bedragen: het loon in de meest vergelijkbare baan, het hoogste loon van een werknemer van je BV of een verbonden BV, en het normbedrag van € 58.000 in 2026.
Daarnaast stemt de Belastingdienst volgens zijn beleid in met een lager loon als een startende onderneming het loon nog niet kan betalen. Dat beleid staat in het Handboek Loonheffingen 2026, paragraaf 18.1. Het staat niet in de wet.
Een verzoek is niet verplicht. Met een verzoek om vooroverleg weet je vooraf of de Belastingdienst het eens is.
Voorwaarden
- Je onderneming is minder dan 3 jaar geleden gestart. De startfase is maximaal 3 jaar, gerekend vanaf de start van je onderneming. Begon je als eenmanszaak of vof, dan telt die periode mee.
- Je BV kan het gebruikelijk loon in de startfase niet betalen, bijvoorbeeld door investeringen of een lage cashflow.
- Je onderbouwt dat met een begroting, een bedrijfsplan of een onderbouwde winstverwachting. Alleen zeggen dat er geen geld is, is niet genoeg.
- Je loon is minimaal het wettelijk minimumloon voor je uren.
- Je keert geen dividend uit en haalt ook op een andere manier geen geld uit de BV. De Belastingdienst stemt doorgaans alleen in als dat niet gebeurt.
Begon je als eenmanszaak of vof?
Voor de startfase telt de start van je onderneming, niet de oprichting van je BV. Begon je eenmanszaak in 2021 en richtte je in 2025 een BV op, dan was de startfase in 2024 al voorbij. Een lager loon op grond van de startfase is dan niet meer mogelijk.
Eindigt de startfase in de loop van het jaar, dan kan het lagere loon gelden tot die datum. Daarna geldt het gewone gebruikelijk loon.
Fictief voorbeeld
Een ontwerpstudio die in 2024 begon
A. de Vries begon op 1 februari 2024 als eenmanszaak met een ontwerpstudio en bracht die later in Voorbeeld Studio B.V. in. Ze werkt 24 uur per week voor de BV. De BV heeft in het eerste jaar fors geïnvesteerd in apparatuur en software.
| Start van de onderneming | 1 februari 2024 |
|---|---|
| Einde startfase | 31 januari 2027 |
| Begroting 2026: omzet | € 40.000 |
| Begroting 2026: kosten zonder eigen loon | € 15.000 |
| Begroting 2026: resultaat vóór eigen loon | € 25.000 |
| Minimumloon 2026 voor 24 uur per week | € 18.533 |
| Gevraagd loon 2026 | € 24.000 |
Bij een loon van € 58.000 kan de BV haar verplichtingen niet nakomen. Bij € 24.000 wel, en dat bedrag ligt boven het minimumloon voor haar uren. Haar verzoek vraagt de inspecteur in te stemmen met € 24.000 voor 2026. De begroting gaat als bijlage mee.
Voor 2027 kan het lagere loon hoogstens gelden tot en met 31 januari 2027.
Niet geschikt als
In deze situaties kun je bij ons geen verzoek op grond van de startfase bestellen. Dat zie je vóór de betaling.
- Je onderneming bestond bij het begin van het jaar al 3 jaar of langer, de periode als eenmanszaak of vof meegerekend.
- Je wilt minder dan het minimumloon voor je uren. Dat kan alleen in uitzonderlijke situaties en vraagt maatwerk.
- Het loon is al uitbetaald over een jaar dat voorbij is. Dat kan niet achteraf worden verlaagd.
- Je vraagt een loon van € 58.000 of meer. Dan heb je geen verzoek nodig.
Liever een andere reden?
Bestaat je onderneming langer dan 3 jaar en maakt je BV al jaren verlies, lees dan over een lager loon bij verlies. Verdient iemand zonder aandelen voor jouw werk minder dan het normbedrag, ook in deeltijd, dan kan de reden vergelijkbaar werk passen.
Bronnen
- Wet op de loonbelasting 1964, artikel 12a
- Handboek Loonheffingen 2026, paragraaf 18.1, "Startende ondernemingen"
- Regeling bijstelling bedragen 2026, Stcrt. 2025, 40487 (normbedrag)
- Wettelijk minimumloon: Stcrt. 2025, 34131 (per 1 januari 2026) en Stcrt. 2026, 16505 (per 1 juli 2026)